11
Oct 19

Lekke banden en saffiaantjes

‘Eindelijk zijn we dan op weg, het is 8.30 uur wij hadden wel afgesproken om 8 uur te vertrekken maar Tom zijn kousen moesten nog gestopt worden’.

1941, mijn vader was 16 en ging samen met een vriend op fietsvakantie, vanuit Amsterdam naar het oosten en terug.
Lekke banden, surrogaat repen, aardappels en saffiaantjes. En ergens valt een bom.


04
Jan 16

Vergane glorie

amaryllis

Mijn schoonheid komt wat later,
denkt de bloem.
Daarom bloeit ze zo traag.

Haar schoonheid nadert, als onweer
op een avond,
inktzwarte weemoed kondigt haar aan.

De bloem verwelkt, wit en verblindend,
in de reusachtige stilte
van een vaas.

Toon Tellegen


01
Jul 15

Vers en foto

Mijn bijdrage aan de derde editie van Vers en Foto, waaraan 24 Hengelose fotografen meedoen. Tot en met september te zien op de ramen van de Telgenflat, aan het marktplein in Hengelo.

Over de tekst hoefde ik niet lang na te denken. ’Kom terug’ vind ik een van de mooiste gedichten van Toon Tellegen. Verlies, verlangen, en hoop, zo subtiel en breekbaar verwoord, het ontroert iedere keer weer. Terwijl het figuurtje op de tafel ook maar doet of-ie van hout is.

Kom terug


31
Oct 13

Hallow-e’en

Hallow-e'en

A thin moon faints in the sky o’erhead,
And dumb in the churchyard lie the dead.
Walk we not, Sweet, by garden ways,
Where the late rose hangs and the phlox delays,
But forth of the gate and down the road,
Past the church and the yews, to their dim abode.
For it’s turn of the year and All Souls’ night,
When the dead can hear and the dead have sight.

Fear not that sound like wind in the trees:
It is only their call that comes on the breeze;
Fear not the shudder that seems to pass:
It is only the tread of their feet on the grass;
Fear not the drip of the bough as you stoop:
It is only the touch of their hands that grope —
For the year’s on the turn, and it’s All Souls’ night,
When the dead can yearn and the dead can smite.

And where should a man bring his sweet to woo
But here, where such hundreds were lovers too?
Where lie the dead lips that thirst to kiss,
The empty hands that their fellows miss,
Where the maid and her lover, from sere to green,
Sleep bed by bed, with the worm between?
For it’s turn of the year and All Souls’ night,
When the dead can hear and the dead have sight.

And now that they rise and walk in the cold,
Let us warm their blood and give youth to the old.
Let them see us and hear us, and say: “Ah, thus
In the prime of the year it went with us!”
Till their lips drawn close, and so long unkist,
Forget they are mist that mingles with mist!
For the year’s on the turn, and it’s All Souls’ night,
When the dead can burn and the dead can smite.

Till they say, as they hear us — poor dead, poor dead! —
“Just an hour of this, and our age-long bed —
Just a thrill of the old remembered pains
To kindle a flame in our frozen veins,
Just a touch, and a sight, and a floating apart,
As the chill of dawn strikes each phantom heart —
For it’s turn of the year and All Souls’ night,
When the dead can hear, and the dead have sight.”

And where should the living feel alive
But here in this wan white humming hive,
As the moon wastes down, and the dawn turns cold,
And one by one they creep back to the fold?
And where should a man hold his mate and say:
“One more, one more, ere we go their way”?
For the year’s on the turn, and it’s All Souls’ night,
When the living can learn by the churchyard light.

And how should we break faith who have seen
Those dead lips plight with the mist between,
And how forget, who have seen how soon
They lie thus chambered and cold to the moon?
How scorn, how hate, how strive, we too,
Who must do so soon as those others do?
For it’s All Souls’ night, and break of the day,
And behold, with the light the dead are away

Edith Wharton, All Souls


27
Mar 13

Voorkomen is beter

God schudt zijn ernstig betwijfelde hoofd –

als voorkomen beter was dan genezen,
dan was hij nergens aan begonnen,
dan was het nu nog nul uur nul
op de nulde dag
en bleef het dat –

hij bijt op zijn niet langer voorstelbare nagels
en gluurt naar beneden –

straks gaat hij genezen,
in zijn aandoenlijke wijsheid weet hij alleen
waarvan.

Toon Tellegen


12
Jan 13

Beste mus,

Het regent en zal ik je eens wat vertellen? Het houdt nooit meer op met regenen.
Het zal altijd, altijd blijven regenen. Noem maar een dag, mus, zo ver mogelijk weg. Op die dag zal het nog steeds regenen. En de dag erna ook.
Ik weet dat.
Tot nog toe kwam de zon altijd weer tevoorschijn. Maar nu niet meer.
Je zal hem nooit meer zien, mus. En stof om in te baden evenmin.
Modder zal er zijn. Blubber. Let maar op.
Heb je wel eens van striemen gehoord? Zo zal het blijven regenen, mus: striemend.
Wat hoor ik daar? Sissen?
Aha. Het regent nu zelfs al op de zon, mus. De zon is bezig uit te gaan, achter de wolken. Dat sist. Ja ja, mus.
Pas maar op, als er straks een nat rond ding naar beneden plonst.
Kijk maar uit dat hij niet op je doorweekte kop valt. Jij altijd met je zorgeloze getsjilp. Alsof alles vanzelf spreekt!
De kraai.

Beste kraai,
Ik heb je brief gekregen. Dank je wel!
Ik heb hem eerst laten drogen en toen gelezen. Heel interessant!
Ik vind het altijd leuk om post van je te krijgen. Neem me niet kwalijk dat ik toch even heb getsjilpt van plezier.
Als ik omhoogkijk kan ik je net zien zitten, weet je dat? Op de onderste tak van de eik.
Je veren glanzen in de zon.
Ik vind dat je heel mooi krast. Treurig, maar dat is juist zo mooi.
De mus.
 
Uit ‘Misschien wisten zij alles’, Toon Tellegen


20
Jun 12

Ondertussen op ‘t prikbord

‘Weet je, ik vind het hier wel prima zo. Eerst dacht ik nog van: ‘o, help, red mij’ en ‘ik hoop dat die prinses snel komt met haar kus’. Maar over die fase ben ik al lang heen. Na verloop van tijd berust je je. De stilte van de vijver, het strakke wateroppervlak. Het totale verlies van tijd. De gewichtloosheid, het ruisen van water en wind. Je wordt er rustig van. Je wordt zelf ook een beetje die vijver. Het wachten vergaat. Je doet eens een yoga-oefeningetje. Last een meditatiemomentje in. Concentreert je op het heelal, het grote geheel. En die prinses doet er al lang niet meer toe. Het verlangen verdwijnt zoals water verdampt. Ze hoeft niet meer te komen. Sterker nog, ik hoop dat ze niet meer komt. Laat die kus maar zitten. Ik blijf wel kikker. Onderin die vijver bereik ik het universum.’

loesje kalenderblaadje, april 2011


10
Feb 12

De beuk

Hij stond vroeg op om door de bossen te dwalen. Ineens stond hij voor een boom die hij niet kende, een dikke beuk met zijtakken. Hé, hoe komt die daar, wie heeft hem daar neergezet? Nee, het was geen vergissing, hij kende de beuk niet, hij had de boom nooit eerder gezien. Hij voelde es aan z’n stam, de stam was groen en vochtig zoals het hoorde. De beuk bestond echt. De beuk werd behoedzaam omringd door de oneindige dennenbossen, zelfs zo dat hij zich afvroeg waar ze zich mee bemoeiden.
Een week later dwaalde hij opnieuw door de bossen. En onwillekeurig ging hij op zoek naar de beuk. Hier stond ie toch? Of daar? Nee, hier. Hij stond er niet meer, de beuk. Was hij omgehakt en weggehaald? In dat geval zouden er sporen zijn: spaanders of een stronk. Niets van dat al. De beuk was en bleef weg.
Tevreden liep hij verder. Het leek wel alsof hij iemand bedankte.

Armando, Eindelijk

Skin


30
Nov 11

Brecht …plus instruments

Als sie ertrunken war und hinunterschwamm
Von den Bächen in die größeren Flüsse
Schien der Opal des Himmels sehr wundersam
Als ob er die Leiche begütigen müsse.

Tang und Algen hielten sich an ihr ein
So daß sie langsam viel schwerer ward.
Kühl die Fische schwammen an ihrem Bein
Pflanzen und Tiere beschwerten noch ihre letzte Fahrt.

Und der Himmel ward abends dunkel wie Rauch
Und hielt nachts mit den Sternen das Licht in der Schwebe.
Aber früh ward er hell, daß es auch
Noch für sie Morgen und Abend gebe.

Als ihr bleicher Leib im Wasser verfaulet war
Geschah es (sehr langsam), daß Gott sie allmählich vergaß
Erst ihr Gesicht, dann die Hände und zuletzt erst ihr Haar.
Dann ward sie Aas in Flüssen mit vielem Aas.

Bertolt Brecht, 1920
Plus Instruments, 1981


13
Oct 11

Ondertussen op bladzijde 128

‘Al eeuwenlang ging er een weg van Eskifjörður door het gewest van Fljótsdalur over de Eskifjarðarheiði. Het was een oud ruiterpad dat ten noorden van de rivier de Eskifjarðará lag, door Langihryggur, omhoog door de Innri-Steinsá, door het Vínárdalur en Vínárbrekkur in Miðheiðarendi, omhoog naar Urðarflötur en langs de Urðarklettur, uitkomend op het Eskifjörðurland. In het noorden ligt het þverárdalur tussen de bergen Andri en Harðskafi, en de Hólarfjall en de Selheiði verder naar het noorden.’

“heb je dat boek nou nog niet uit?”
nee.